Esperanto WBT

  • image
  • image
  • image


Arabisch

Semitische taal van de afro-aziatische familie: wordt gesproken in Algerije, Bahrain, op de Comoren, op Cyprus, in Djibouti, Egypte, Eritrea, Indonesië, Irak, Iran, Israël, Jemen, Jordanië, Kazachstan, Koeweit, Kyrgizië, Libanon, Lybië, op de Malediven, in Marokko, Mauretanië, Niger, Oman, Qatar, Saoudi-Arabië, Somalië, Soedan, Syrië, Tadjikistan, het noorden van Tsjaad, Tunesië, Turkmenistan en de Verenigde Arabische Emiraten. De vroegste inscripties in het Arabisch dateren van de 4e eeuw n. Chr. maar algemeen wordt aangenomen dat de taal al in de 5e eeuw voor Christus in gebruik was. Het Arabisch bestaat in twee vormen: de klassieke en de alledaagse vorm. Het klassieke Arabisch is de heilige taal van de islam en fungeert als lingua franca van de hogere klassen. Het alledaagse Arabisch wordt gebruikt op radio, televisie en in moskeeën. Er zijn diverse dialecten die zich van het standaard Arabisch onderscheiden door hun uitspraak, woordenschat en grammatica. Het Arabisch heeft 28 medeklinkers en drie klinkers. Elke klinker heeft een korte en een lange vorm. Elk Arabisch woord is gebaseerd op een stam die gewoonlijk uit drie medeklinkers bestaat. Deze stamklanken worden gecombineerd met diverse klinkervormen waardoor naamwoorden en werkwoorden gevormd kunnen worden. Zo heeft de geleende term bank als stam b-n-k. De vorming van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden is niet helemaal regelmatig. Zo kan het meervoud op heel wat manieren gevormd worden. Het Arabisch heeft wel een heel regelmatig vervoegingssysteem voor werkwoorden. Het is zo regelmatig dat de Arabische woordenboeken de werkwoordsvervoegingen kunnen klasseren m.b.v. een numeriek systeem van I tot X. Een voorbeeldje: uit de stam k-s-r halen we het werkwoord kasar (breken). Dit is meteen vorm I. Vorm II is kassar (hij brak) en vorm VII is inkasar (het werd gebroken). Er zijn drie tijden mogelijk: tegenwoordige tijd, onvoltooid en voltooid verleden tijd. De zinsvolgorde in het Arabisch is doorgaans werkwoord-onderwerp-voorwerp. In theorie kan men aan de uitgang van een woord zien welke functie het uitoefent in de zin. In de praktijk wordt dit enkel toegepast in schoolboeken en in de Koran zodat niemand zich zou kunnen vergissen. In alle andere Arabische teksten worden deze uitgangen -doorgaans korte klinkers- weggelaten. Het Arabische schrift kent overigens geen aparte tekens voor deze klinkers. Het gebruikt daarvoor kleine leestekens boven en onder de medeklinkers.

Armeens
Armeense taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Armenië, op Cyprus, in Griekenland, Iran, Jordanië, Libanon en Syrië. Lange tijd geloofde men dat Armeens een Iraans dialect was omdat er zoveel Iraanse leenwoorden in voorkwamen. Als spreektaal dateert het Armeens vermoedelijk uit de 10e eeuw v. Chr. Toen het Christendom in voege kwam, werd ze ook neergeschreven. Men denkt dat de taal in Armenië is terechtgekomen via indringers uit de noordelijke Balkan. Tegen de 7e eeuw v. Chr. was het Armeens de voornaamste taal in het gebied. In 410 vond de monnik St. Mesrob een alfabet van 38 letters uit voor het Armeens. In het Armeens komen ruwe medeklinkercombinaties voor en zijn er heel wat affricatieve klanken (zoals f, h, th). Al naargelang welk dialect men gebruikt, zijn er zes tot zeven naamvallen, maar geen geslachten. In het oudere Armeens van voor de Tweede Wereldoorlog werden er moeilijke werkwoordsvervoegingen gebruikt. Die vervoegingen werden vervangen door het gebruik van hulpwerkwoorden. Ook de subjunctief viel weg. Grammaticaal gezien had het oude Armeens veel weg van het Grieks, maar in de loop der eeuwen heeft het invloed ondergaan van de Turkse grammatica -zo worden nu achtervoegsels i.p.v. voorvoegsels gebruikt.

Bulgaars
Slavische taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Bulgarije, Roemenië en het zuiden van Bessarabië (Oekraïne). De geschiedenis van het Bulgaars kunnen we in drie periodes onderverdelen. Het Oud-Bulgaars werd gesproken tussen de 9e en 11e eeuw. Men neemt aan dat deze taal overeenkwam met de vroegste vorm van Oudkerkslavisch. Het Midden-Bulgaars loopt van de 12e tot de 16e eeuw. Het Moderne Bulgaars deed zijn intrede in de 16e eeuw. In die tijd heeft het Bulgaars leenwoorden gekregen van het Russisch, Kerkslavisch, Grieks en Turks. Het kent ook twee belangrijke dialectgroepen: de oostelijke, dat de basis was van de literaire taal, en de westelijke. Het Bulgaars wordt geschreven in het Cyrillische alfabet.

Chinees
Chinese taal van de sino-tibetaanse familie: wordt gesproken in China, Brunei, Birma (Myanmar), Hong-Kong, Cambodja, Maleisië, op Mauritius, in Noord-Korea, Singapore en Taiwan. Het gesproken Chinees kent heel wat dialecten, die wel een gemeenschappelijke schrijfwijze hebben. Toch verstaan de dialectsprekers elkaar niet, en daarom worden deze dialecten als aparte taal gerekend. De verschillen tussen de dialecten zijn te vergelijken met de verschillen in woordenschat en uitspraak tussen de Romaanse talen. Het meestgesproken dialect is Mandarijn. De standaard-uitspraak is de taal van Beijing. Mandarijn vormt ook de basis voor het schrift en voor de officieel gesproken taal, Putonghua. Om dit alles wat eenvoudiger voor te stellen, spreken wij gewoonlijk van de Chinese taal. De moderne Chinese dialecten, die sinds de 11e eeuw bestaan, ontwikkelden zich uit het Oud-Chinees (8e tot 3e eeuw v.Chr.). Hoewel alle woorden uit één lettergreep bestonden, kende het Oud-Chinees verbuigingen. De volgende linguïstische periode was die van het Midden-Chinees (tot ongeveer de 11e eeuw). Tegen die tijd was het rijke klankensysteem van het Oud-Chinees sterk vereenvoudigd. Zo kende het Oud-Chinees medeklinkers zoals p, ph, b, bh (waarbij de h op aspiratie wees). In het Midden-Chinees was dit p, ph, bh. In het huidige Mandarijn blijven enkel p en ph (b en p gespeld) over. Een lettergreep in het Mandarijn bestaat minstens uit een zogenaamd eindelement, een klinker (a, e) of halve klinker (i, u) of een combinatie hiervan (tweeklank of drieklank). De lettergreep heeft een gelijke, dalende of stijgende toon en soms ook een finale medeklinker (n, ng of r). In het Oud-Chinees was er daarbijkomend ook nog een finale p, t, k, b, d, g of m. Het eindelement kan voorafgegaan worden door een initiële medeklinker, maar nooit door een reeks medeklinkers. Zo zijn het Oud-Chinese klam en glam nu beide verworden tot lan. Door al deze veranderingen kent het Mandarijn nu nog slechts 1300 verschillende lettergrepen. Dat heeft tot gevolg dat het Chinees vol staat met homoniemen. Om een chaos te voorkomen, werden samengestelde woorden gevormd. Zo betekende het woord shi zowel gedicht als leraar. Nu is gedicht shi-ge (gedicht-lied) en leraar shi-zhang (leraar-ouder). Hoewel een modern Chinees woordenboek meer samengestelde dan enkelvoudige woorden bevat, heeft elk onderdeel van een samengesteld woord nog steeds een zinvolle betekenis. Aangezien het Chinees geen verbuigingen kent, is de zinsvolgorde nog belangrijker dan in het Nederlands of Engels. Algemeen kunnen we stellen dat de zinsvolgorde van het Chinees overeenkomt met het Nederlands: onderwerp-werkwoord-voorwerp. Toch is er heel wat verschil: In het Nederlands is het onderwerp degene die de actie doet, maar in het Chinees is het veelal een woord waarover een bemerking volgt. Een voorbeeld: Nei-ke shu yezi hen da betekent letterlijk die boom, bladeren heel groot, wat uiteraard betekent: die boom heeft grote bladeren. Ook de tijd van het werkwoord wordt niet uitgedrukt in het Chinees. En omdat het Chinees geen bijzin kent, zijn de zinnen soms heel ingewikkeld: Jianle shu jiu mai de neige ren betekent letterlijk Gezien boek onmiddellijk kopen is die man; wat vertaald wordt in: Die man die elk boek koopt dat hij ziet.
Voor het geschreven Chinees (zie hieronder).

Deens
Germaanse taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Denemarken, Schleswig-Holstein (Noord-Duitsland), Groenland en op de Faerøer-eilanden. De geschiedenis van het Deens kan in drie periodes worden onderverdeeld. Het Oud-Deens werd gevonden op diverse runen-inscripties (250-800). Volgens de vindplaatsen van de inscripties werd het Oud-Deens gesproken van Jutland tot Zuid-Zweden. Van het Midden-Deens (800-1500) weten we dat er geen echte gemeenschappelijke taal bestond. Er waren drie varianten: dat van Scania, Zeeland en Jutland. Het Midden-Deens onderging heel wat ingrijpende veranderingen. De grammatica werd stukken eenvoudiger, en er werden heel wat voornamelijk Laagduitse leenwoorden opgenomen. De Zeelandse variant werd de norm voor de gemeenschappelijke Deense taal. Tegen 1500 was deze variant de nationale taal en werd het Deens een echte literaire taal. In het tweede deel van de 17e eeuw stond Denemarken onder Duitstalig beheer. Als gevolg daarvan werden vele Duitse woorden in de woordenschat opgenomen. De meeste daarvan verdwenen later. Tegen het begin van de 18e eeuw was de grammaticale ontwikkeling beëindigd. De 19e en 20e eeuw kenmerkten zich door de assimilatie van diverse Duitse, Engelse en Franse woorden, waaronder vooral technische termen. De eerste officiële spelling werd in 1871 van kracht. De belangrijkste hervorming daarvan vond plaats in 1948. De naamwoorden werden niet langer met een hoofdletter geschreven (zoals in het Duits) en de letter aa werd vervangen door å, waardoor het Deens dichter bij het Noors en Zweeds kwam. Het Deens kent twee naamvallen (nominatief en genitief) en twee geslachten. Het meest opvallende is de harde steminzet die is afgeleid van een oorspronkelijk toonaccent.

Duits
Germaanse taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, België (Oostkantons), Polen, Hongarije, Italië (in de provincie Bolzano), Liechtenstein, Luxemburg, Namibië, Roemenië, Paraguay, Canada, Brazilië, Argentinië, Verenigde Staten en de ex-USSR. Het Duits kunnen we onderverdelen in twee groepen: Hoogduits en Laagduits. Het oude Hoogduits was een verzameling van dialecten die tot ca. 1100 werd gesproken. Rond 1100 ontstond een standaardtaal. De zuidelijke grens tot waar het Hoogduits oorspronkelijk werd gesproken is de lijn Aachen-Kassel-Maagdenburg-Berlijn-Frankfurt. Het Hoogduits kan op zijn beurt weer onderverdeeld worden in twee categorieën: Opperduits (dat bestaat uit Allemanisch, Beiers, Frankisch en Longobardisch) en Middenduits (dat bestaat uit Rijnfrankisch, Moesel-Frankisch, Ripuarisch, Thurisch, Oppersaksisch en Silesisch). Het Laagduits of Platduits omvat Laagfrankisch (grens Nederland-Duitsland) en het Laagsaksisch (van noordelijke laaglanden tot aan de Elbe). Het Laagduits verspreidde zich tot in Pruisen en gaf heel wat leenwoorden aan de Scandinavische talen. Het verdween echter met de val van de Hanze. Tot het midden van de 14e eeuw was het Latijn de officiële taal in wat nu de Duitstalige gebieden zijn. Tijdens het bestuur van koning Lodewijk IV werd het Duits als officiële taal aanvaard. Een standaard geschreven Duitse taal kwam pas in het eerste deel van de 16e eeuw in voege. Als basis voor de standaardtaal werd het Hoogduits genomen, vooral onder invloed van Luthers bijbelvertaling. Tot de 20e eeuw bleven op vele plaatsen een verschillende spelling bestaan. In 1901 namen Noord- en Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland deel aan een conferentie waarop een gemeenschappelijke spelling werd vastgelegd. Het spellingssysteem werd door de Duitse filoloog Konrad Duden neergeschreven in Rechtschreibung der Deutschen Sprache. Wat de uitspraak betreft, bestaat er géén overeengekomen standaard. Verscheidene Duitssprekende bevolkingsgroepen zoals de Oostenrijkers, Zwitsers, Swaben, kunnen herkend worden op basis van hun uitspraak. Ook het Duits van hooggeschoolde Duitsers wordt beïnvloed door dialect. Wel bestaan er geschreven wetten voor de uitspraak van het Duits in het theater.

Engels
Germaanse taal van de indogermaanse familie: wordt wereldwijd gesproken. Het Engels wordt historisch in drie perioden ingedeeld. Het Oudengels of Angelsaksisch was de taal van Germaanse stammen die van ca. 450 af Engeland en Schotland binnenvielen en wordt op grond van ca. 700 opgetekende vormen verdeeld in Anglisch, Westsaksisch (vanaf ca. 900 de literaire taal) en Kents. Het heeft een vooral op woordbuiging steunende grammatica en komt in zijn structuur nog het meest overeen met het moderne Duits. Het Middelengels is niet meer dan een verzamelnaam voor sterk uiteenlopende versies van het Engels zoals dit in verschillende streken werd gesproken en geschreven. In het Laat-Middelengels ontstond een aantal schrijfdialecten. Vanaf ca. 1430 komt het Nieuwengels in opgang dat in de 18e eeuw als standaardtaal werd aangenomen. Het Engels is berucht om zijn uitspraak. Die is onfonetisch en geeft eigenlijk nog de Middeleeuwse spreektaal weer. Ook onder hooggeschoolde mensen bestaan er uitspraakverschillen. De grammatica is dan weer betrekkelijk eenvoudig. De woordenschat is enorm groot en bestaat in formeel taalgebruik voor meer dan de helft uit niet-Germaanse elementen. Ten slotte valt het nog op te merken dat Engels over de hele wereld in heel wat vormen voorkomt. Er bestaan opmerkelijke verschillen tussen Brits, Iers, Australisch, Canadees en Amerikaans Engels. Deze verschillen uiten zich de ene keer in woordenschat, de andere keer in uitspraak of grammatica. Dan hebben we het ook nog niet gehad over het pidgin Engels en het Engels dat in Afrikaanse landen wordt gesproken. Die wendbaarheid van het Engels maakt het zo een gemakkelijke taal om internationaal te gebruiken en heeft van het Engels dan ook onmiskenbaar de wereldtaal bij uitstek gemaakt.

Ests
Fins-Oegrische taal van de oeralische familie: wordt gesproken in Estland. Er zijn ca. 1 miljoen sprekers. Het Ests kent twee grote dialecten. Het noordelijk dialect, Tallinn, wordt gebruikt in het grootste deel van het land en vormt de basis voor de literaire taal. Het zuidelijk dialect wordt gesproken ten zuiden van Tartu. De eerste geschreven bronnen in het Ests dateren van de 16e eeuw.

Farsi

Fins
Fins-Oegrische taal van de oeralische familie: wordt gesproken in Finland, Zweden en delen van Rusland. Het Fins werd in 1809 de officiële taal van Finland en de Republiek Karelië. Het is nauw verwant met het Ests en in mindere mate ook met het Laps en Hongaars. De eerste geschreven bronnen dateren uit de 16e eeuw, toen het Nieuwe Testament in het Fins werd vertaald. Het Fins wordt gekenmerkt door een harmonieus klinkersysteem. Zo komen de klinkers die vooraan worden uitgesproken, ä, ö en ü nooit in het zelfde woord voor als de met de klinkers, a, o en u die achteraan uitgesproken worden. Het Fins telt 15 naamvallen.

Frans
Romaanse taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Frankrijk en haar vroegere en huidige kolonies, in Andorra, Monaco, Canada (provincie Quebec), Italië, Wallonië en Luxemburg. Het Frans kent haar oorsprong in de 7e eeuw. Het Latijn dat voordien in het oude Gallië werd gesproken was omgevormd tot wat Romaans wordt genoemd, dat zowel door de hogere klasse als door het gewone volk gesproken werd. Opmerkelijk is wel dat de volkeren die het huidige Frankrijk binnenvielen, Visigoten, Bourgondiërs en Franken, niet hun eigen taal invoerden, maar de reeds bestaande taal gewoon overnamen. Was dat niet het geval geweest, dan was het Romaans geen lang leven beschoren. Tegen het einde van de 13e eeuw hadden zich uit het Romaans twee verschillende talen ontwikkeld, het langue d'oïl ten noorden van de Loire, en het langue d'oc ten zuiden ervan. De namen van deze talen zijn afgeleid van de respectieve woorden voor ja: oïl in het noorden, oc in het zuiden. Het belangrijkste verschil tussen beide talen was de uitspraak van de Latijnse klinker a. Van deze twee talen werd langue d'oïl de standaardtaal. Het was in heel Europa heel populair en het bestond in Groot-Brittannië lange tijd naast het Engels. De officiële erkenning van de noordelijke variant kwam er in de 14e en 15e eeuw toen het door de toenmalige heersers als nationale taal werd erkend. In 1694 verscheen het eerste officiële Franse woordenboek. Tijdens de regering van Lodewijk XIV bevond de Franse taal zich op haar hoogtepunt en was ze dé taal bij uitstek bij diplomaten en wetenschappers. Toch waren er ook invloeden van buitenaf. Arabische (handel) en Spaanse (oorlog) woorden werden opgenomen en in de 19e eeuw zorgde het romanticisme ervoor dat heel wat archaïsche woorden opnieuw werden gebruikt. Vanaf het einde van de 19e eeuw oefende het Engels een hele grote invloed uit. Die invloed is tot op heden nooit uitgewerkt en is zelfs steeds versterkt.

Grieks
Oud-Grieks
dode Griekse taal van de indogermaanse familie: werd gesproken in het Oude Griekenland. Elke stadstaat in het Oude Griekenland had zijn eigen Grieks dialect. Een eenheidstaal bestond niet. Uit het Ionische dialect ontstond het Attisch, de standaardvorm van het klassieke Grieks. Het was de taal van Athene en het district Attica waarin de stad lag. Wegens de politieke suprematie van Athene, verdrong het Attisch alle andere dialecten. Met de veroveringen van Alexander de Grote, verspreidde het Attisch zich over het hele Midden-Oosten. Door vermenging met andere volkeren, ontstond een nieuw soort Grieks: het Koine. Dit was de taal van het hof, de literatuur en de handel. Dit Koine splitste zich in twee strekkingen: het literaire Koine was de taal van de geschoolde hogere klasse; het gewone Koine was de spreektaal van de lagere klassen en nam heel wat woordenschat over van de diverse talen van het Midden-Oosten. Het Nieuwe Testament werd in dit gewone Koine geschreven. Het literaire Koine kon zich niet handhaven, ondanks de vele pogingen van studenten en grote schrijvers als Lucius, Plutarch en Pausanias. Na de vernietiging van de bibliotheek van Alexandria en de sluiting van de Atheense Scholen voor filosofie, bleef voor dit literaire Koine enkel nog een plaats over in de kerk. Het gewone Koine bleef dé taal van Griekenland.
Nieuw-Grieks
Griekse taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Griekenland, op Cyprus en in Albanië. Het moderne Grieks ontstond uit het gewone Koine (zie Oud-Grieks). Toch was er in de 19e eeuw geen eenheidstaal. De gesproken taal moest gesystematizeerd worden. Het Koine werd Demotiki of demotisch Grieks en was de eenheidstaal van de Grieken. De puristen waren het hiermee niet eens en maakten hun eigen taal, het Katharevousa -een kunstmatige taal gebaseerd op het Oud-Grieks en heel verschillend van de dagelijkse spreektaal. Dit Katharevousa werd onder sterke dwang als officiële taal erkend, maar werd uiteindelijk in 1976 bij wet vervangen door demotisch Grieks. De voornaamste verschillen tussen Nieuw-Grieks en Oud-Grieks liggen in de vervoegingen en werkwoordsverbuigingen. Wat de woordenschat betreft, heeft Nieuw-Grieks heel wat woorden ontleend uit het Italiaans, Turks en Frans. De puristen daarentegen nemen geen nieuwe woorden op en proberen nieuwe dingen uit te drukken door oude Griekse uitdrukkingen samen te voegen. Zo proberen zij de Oud-Griekse vormen en uitdrukkingen te behouden.

Hebreeuws
Semitische taal van de afro-aziatische familie: wordt gesproken in Israël. Het Nieuw-Hebreeuws wordt ook Ivriet genoemd. Toen de Joden in de 19e eeuw terugkeerden naar Palestinië, werd het Hebreeuws opnieuw een levende taal. Het werd in 1948 als officiële taal van Israël erkend. Het Hebreeuws wordt van rechts naar links geschreven en gebruikt een alfabet van 22 karakters. De woordenschat is gebaseerd op het Hebreeuws van de Bijbel. De syntaxis beroept zich op het Mischnaïsch Hebreeuws. De uitspraak werd overgenomen van de Sefardische Joden die in Turkije, Griekenland en Bulgarije woonden. Een hele hoop nieuwe woorden moest in het Hebreeuws worden opgenomen. De in Litouwen geboren Jood Eliezer ben Yehuda maakte zelf 4000 nieuwe woorden met bijbelse Hebreeuwse bronnen.

Hongaars
Fins-Oegrische taal van de oeralische familie: wordt gesproken in Hongarije, Roemenië (in het westen van Transsylvanië) en in het zuiden van Slowakije. Het Hongaars heeft 27 naamvallen.

Indonesisch
Bahasa Indonesia
Indonesische taal van de maleis-polynesische familie: wordt gesproken in Indonesië en Maleisië. Sinds 1972 heeft het een nieuwe spelling. Het Bahasa Indonesia is eigenlijk een vorm van Maleis, maar omdat het de officiële taal is van Indonesië wordt het als aparte taal vermeld.
Bahasa Malaysia
Indonesische taal van de maleis-polynesische familie: wordt gesproken in Maleisië, Brunei, Singapore en Zuid-Thailand. Sinds de 16e eeuw is het Maleis een gesproken taal.

Italiaans
Romaanse taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Italië, Zwitserland, Ethiopië (als handelstaal), op Corsica, in Monaco, San Marino, Somalië en Venezuela. Net als alle andere Romaanse talen, vindt het Italiaans zijn oorsprong in het Latijn. Van al deze talen ligt het Italiaans wel het dichtst bij het Latijn. De evolutie van het Italiaans wordt gekenmerkt door een grote hoeveelheid dialecten. Elk dialect probeerde in de periode vanaf de val van het Westromeinse Rijk tot de 14e eeuw zijn plaats zo goed mogelijk te verdedigen. In de 14e eeuw begon het Toscaans dialect te overheersen. Dat kwam niet alleen door de centrale plaats die Toscanië op het schiereiland inneemt, maar ook door de bloeiende handel van de belangrijkste Toscaanse stad, Florentië. Bovendien is het Toscaans van alle dialecten het minst verwijderd van het klassieke Latijn. In de 15e en 16e eeuw werd geprobeerd om, met het Toscaans als basis, een gemeenschappelijke uitspraak, syntax en woordenschat vast te leggen. De in 1583 gestichte Accademia della Crusca slaagde daarin en bracht de eerste officieel erkende Italiaanse woordenboeken uit. In het huidige Italiaans werden de Latijnse kenmerken van het Toscaans behouden, maar werd de woordenschat wel aangepast. Wie Latijn of een andere Romaanse taal kent, kan makkelijk Italiaans leren. Het grootste verschil tussen Italiaans en Frans of Spaans, ligt bij de vorming van de meervouden: die worden niet gevormd met -s of -es, maar met -e voor de meeste vrouwelijke woorden en -i voor de mannelijke.

Japans
geïsoleerde taal: wordt gesproken in Japan, Hawaii, Paraguay en in Taiwan. Het Japans is voor zover bekend niet verwant met om het even welke andere taal. Structureel zijn er wel gelijkenissen gevonden met het Koreaans en met altaïsche talen zoals het Mongools en Turks. Wat woordenschat betreft, zijn dan weer wat gelijkenissen ontdekt met Oost-Aziatische taalfamilies zoals de sino-tibetaanse en de austro-aziatische. Het Japans is een heel vage en onnauwkeurige taal. Het lijkt alsof de Japanners zich niet graag nauwkeurig uitdrukken. Dit gaat vooral op voor visuele uitdrukkingen. Zo kan het Japanse woord aoi zowel blauw, groen als bleek betekenen. Aan de andere kant is het Japans dan weer heel minutieus bij bepaalde klanknabootsende uitdrukkingen. Zo kent het Japans een schare aan uitdrukkingen om aan te geven dat het regent. Oorspronkelijk bezat het Japans een heel beperkte woordenschat. Vanaf de 3e eeuw werden een groot aantal Chinese woorden overgenomen. Het aantal van oorsprong Chinese woorden is tegenwoordig groter dan het aantal oorspronkelijk Japanse woorden. Deze Chinese woorden betekenen voor het Japans wat van oorsprong Griekse en Latijnse woorden voor het Nederlands of het Engels betekenen. Oorspronkelijk was hun uitspraak zoals in het Chinees, maar later werd deze drastisch gewijzigd. Het Japans kent 5 klinkers en 19 medeklinkers. Een klemtoon bestaat niet echt in het Japans, al krijgen sommige lettergrepen wel een bepaalde toon mee. De woordvolgorde in het Japans is doorgaans onderwerp-voorwerp-werkwoord. Het werkwoord kent geen persoon en staat ook niet in een bepaalde tijd zoals in de Indogermaanse talen. De zelfstandige naamwoorden kennen geen geslacht, en er bestaat ook geen verschil tussen enkelvoud en meervoud. Het Japans kent ook geen lidwoorden of voorzetsels. Wel bestaan er enkele achtervoegsels die de functie van voorzetsel vervullen (vb. mizu no oto: geluid van water; letterlijk staat er echter: water van geluid). Het Japans kent heel wat voornaamwoorden, maar deze worden zelden gebruikt. De bijvoeglijke voornaamwoorden worden wel gebruikt en functioneren vaak als werkwoorden. Zij tonen vaak aan of een bepaalde actie nog moet gebeuren, aan het gebeuren is, of al gebeurd is. Wat het Japans het meest onderscheidt van alle andere talen, zijn de beleefde, voorname en nederige voor- en achtervoegsels. Deze worden gebruikt om de status aan te duiden van wie spreekt en van wie wordt aangesproken. Enkel het Koreaans en Javaans kennen ook dergelijke woorden. Er bestaan heel wat dialectische varianten van het Japans, maar enkel de uitspraak van de geschoolde klasse in Tokio wordt als standaard erkend.

Khmer
Mon-Khmer-taal van de austro-aziatische familie: wordt gesproken in Cambodja en Zuid-Vietnam. De oudste inscriptes uit 6e en 7e eeuw. Het Khmer heeft heel wat woorden ontleend van de Indische talen Sanskrit en Pali. Het Khmer kent een uiterst moeilijke uitspraak en wordt geschreven in een van het Indisch afgeleid alfabet dat aan de uitspraak is aangepast. In 1910 werd een systeem ontworpen zodat het Khmer ook in het Romeins alfabet kon worden geschreven.

Koerdisch
Iraanse taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Oost-Turkije, West-Iran, Noord-Syrië, Noord-Irak, Armenië , Jordanië en in Libanon. Het Koerdisch is verwant aan het Perzisch.

Kroatisch
Slavische taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Kroatië en Bosnië-Hercegovina. Voor meer uitleg zie Servokroatisch.

Marokkaans
dialect van Arabisch dat gesproken wordt in Marokko. Sinds kort bestaat er een officiële grammatica.

Lets


Litouws
Baltische taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Litouwen. De oudste geschriften dateren uit ca. 1500. Litouws komt voor in twee dialectgroepen: Laag-Litouws aan de Baltische Kusten en Hoog-Litouws in het binnenland. Litouws is een van de meest pure indogermaanse talen doordat het nog zo veel archaïsche indogermaanse vormen kent. Het huidige Litouws is ontstaan uit het West-Hoog-Litouws dialect, maar werd sinds de Tweede Wereldoorlog ook sterk beïnvloed door het Russisch. Het Standaard Litouws kent zeven naamvallen (sommige dialecten hebben er acht of meer), twee geslachten (mannelijk en vrouwelijk), maar geen lidwoorden. Het Litouws maakt veelvuldig gebruik van tweeklanken en stijgende en dalende intonaties. Het Litouws wordt geschreven met een Romeins alfabet van 32 letters met diacritische tekens. Het alfabet is gebaseerd op dat van het West-Hoog-Litouws dialect dat in de 19e eeuw door Jonas Jablonskis werd ontworpen.

Nederlands
Germaanse taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Nederland (incl. kolonies), Vlaanderen, Frans-Vlaanderen, Suriname, en in Indonesië (als handelstaal). Het Nederlands ontwikkelde zich uit het dialect gesproken in het gewest Holland. De geschiedenis van het Nederlands kan in drie periodes worden verdeeld. Het Oud-Nederlands loopt tot rond 1100 n.Chr. Midden-Nederlands loopt van 1100 tot 1500. In deze periode onderging het Nederlands wijzigingen in klank en verbuigingen. Er bestond nog geen standaardschrift. De schrijvers gebruikten hun eigen dialect als basis voor de schrijftaal. Het Moderne Nederlands loopt van 1550 tot heden. De belangrijkste gebeurtenis voor het Nederlands in deze periode was de publicatie van de Statenbijbel. Hierdoor kreeg het Nederlands een standaard. De taal bleef evenwel nog veranderingen ondergaan. De laatste in de reeks is de nieuwe spelling van 1996.

Noors
Germaanse taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Noorwegen. Net als de andere Scandinavische talen, is het Noors afgeleid van een oude gemeenschappelijke Scandinavische taal die door middel van runen-inscripties tot de 3e eeuw v.Chr. kan worden teruggebracht. Tijdens de periode der Vikingen (800-1050) ontstonden verscheidene dialecten, waaronder het Oud-Noors. Deze taal kwam niet enkel voor in Noorwegen, maar werd door migratie ook gesproken in Ijsland en andere streken van de Atlantische Oceaan. Met de komst van het Christendom werden de runentekens vervangen door het Romeinse alfabet. In de daaropvolgende eeuwen werd het Noors beïnvloed door het Deens, Laag-Duits en Zweeds. De Deense invloed zette zich vooral door tussen 1380 en 1814 toen Noorwegen en Denemarken verenigd waren onder de Deense kroon. Het Deens werd in de 16e eeuw de geschreven taal voor het Noors. Het werd vooral door de hogere klassen gesproken, terwijl Noorse dialecten door de lagere klassen en op het platteland werd gebruikt. In de 19e eeuw ontwikkelde het gesproken Deens zich tot een taal die Deens-Noors wordt genoemd. Deze taal had een Deense structuur en woordenschat, maar werd op z'n Noors uitgesproken. Later werd deze taal de Riksmål genoemd, de officiële taal van Noorwegen. Deze taal wordt vooral gebruikt door literaire figuren zoals de dichter Henrik Ibsen. Onder invloed van het nationalisme en romanticisme begon de taalkundige Ivar Aasen een nieuwe taal te ontwikkelen, Landsmål genoemd, dat gebaseerd was op de Noorse dialecten en vrij was van Deense invloeden. Zijn poging kende een redelijk succes en werd een belangrijke tweede taal. Onder druk van de voorstanders van de Landsmål onderging de Riksmål behoorlijke wijzigingen (in 1907, 1917 en 1938) waarbij de Noorse spraak en spelling duidelijk werden benadrukt. Ook de naam van beide talen werd gewijzigd: de Riksmål werd Bokmål (boekentaal) en Landsmål werd Nynorsk (Nieuw Noors). Wettelijk zijn beide talen volledig gelijk en moeten ze beide in school worden onderwezen. Bokmål wordt het meest gebruikt in het oostelijk gedeelte van het land, Nynorsk in het westelijke deel. Beide talen ondergaan nog steeds wijzigingen.

Perzisch


Pools
Slavische taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Polen, Litouwen en het oosten van Duitsland. Het Pools is verwant aan het Tsjechisch en het Slowaaks. Het hedendaagse Pools kent 7 klinkers en 35 medeklinkers die in een aangepast Romeins schrift worden geschreven. Klanken die niet in het alfabet voorkomen worden voorgesteld door tweevoudige letters zoals sz en cz en door diacritische tekens, die afgeleid zijn van het Tsjechisch. In zijn evolutie heeft het Pools het onderscheid tussen korte en lange klanken weggewerkt. De klemtoon kwam op de voorlaatste lettergreep te liggen. Pools is de enige Slavische taal met nasale klinkers (a en e), die afkomstig zijn van Oudslavische nasale klinkers. Het enkelvoud kent drie geslachten (mannelijk, vrouwelijk en onzijdig). Het meervoud kent een apart geslacht, persoonlijk mannelijk (gebruikt bij mannen), dat onderscheiden wordt van een gemeenschappelijk meervoud voor alle andere geslachten. Het Pools kent 7 naamvallen. De werkwoorden worden verbogen naar getal en geslacht van het onderwerp, maar de uitgangen werden wel vereenvoudigd door het verdwijnen van drie oude tijden (aorist, imperfectum en postperfectum). De zogenoemde Slavische perfectum is de enige verleden tijd die in de spreektaal wordt gebruikt. De woordvolgorde is heel vrij. De oudste schriftelijke overlevering van het Pools zijn namen in Latijnse documenten. De hedendaagse standaardtaal is gebaseerd op het dialect van de streek van Poznan; in het westen van Polen. Heel wat woorden werden overgenomen uit het Middeleeuws Tsjechisch en Duits, Latijn, Witrussisch, Oekraïens, Frans en Engels.

Portugees
Romaanse taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Portugal, Galicië (Noordwest-Spanje), op de Azoren, in Brazilië, Macau, Angola, Guinee-Bissau, Kaap-Verde, Madeira, Mozambique en Sao Tome e Principe. Net als alle andere Romaanse talen is het Portugees ontstaan uit het Latijn. Het lijkt erg sterk op Spaans, ondanks het verschil in fonologie, grammatica en woordenschat. Het bevat een hele hoop woorden uit het Arabisch, Grieks en Frans. De standaardtaal is gebaseerd op het dialect van Lissabon. Het Portugees kent enkele grammaticale vormen die in de andere Romaanse talen niet langer voorkomen. Zo wordt de toekomstige subjunctief nog steeds gebruikt. Voor het overige komt de grammatica goed overeen met het Spaans. Portugees is heel interessant voor linguïsten wegens zijn fonetische structuur. De taal kent 11 verschillende klinkerklanken. Er bestaat een groot verschil tussen de gesloten en open a, e en o. Alle vijf bestaande klinkers kunnen ook nasaal worden uitgesproken. Een klinker die nasaal moet worden uitgesproken krijgt een tilde boven zich of krijgt een m of n achter zich. De medeklinkerklanken komen voor het grootste deel overeen met de andere Romaanse talen.

Roemeens
Romaanse taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Roemenië, Servië, Moldavië, Kroatië, Bosnië-Hercegovina, Macedonië, Noord-Albanië en Hongarije. Het Roemeens is afkomstig van het Latijn dat in de oude Romeinse provincie Dacia (huidig Roemenië) werd gesproken. De vroegste Roemeense tekst dateert van 1521. Het Roemeens heeft enkele Latijnse trekjes behouden die in andere Romaanse talen zijn verdwenen. Zo worden de naamwoorden nog steeds verbogen. Net zoals bij niet-Romaanse Balkantalen wordt het lidwoord achter het naamwoord geplaatst. Het Roemeens heeft een hele hoop woorden uit het Grieks, Turks, Hongaars en Albaans overgenomen.

Russisch
Slavische taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in de voormalige deelstaten van de Sovjetunie, de Baltische Staten, Griekenland en Polen Het Russisch wordt geschreven in het Cyrillisch alfabet met 33 letters. De spelling is in hoofdzaak, maar niet altijd, fonetisch en er zijn maar weinig regels voor de eenvoudige uitspraak. Het Russisch kent geen lidwoorden. Er zijn drie geslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. De naamwoorden worden verbogen naar functie en getal. De adjectieven passen zich in geslacht, functie en getal aan de naamwoorden aan. Het Russisch kent zes naamvallen: nominatief, accusatief, genitief, datief, instrumentaal en prepositionaal. Het werkwoord kent drie tijden (tegenwoordige tijd, verleden tijd en toekomstige tijd) en kent ook het imperfectum, dat een repeteterende actie beschrijft, en het perfectum, dat de actie als onbeëindigd aanwijst. Wegens deze vervoegingen en verbuigingen is de woordvolgorde in het Russisch niet zo nauwgezet als in het Nederlands. Typisch voor de Russische woordenschat is dat grote woordenfamilies bestaan die van een bepaalde stam zijn afgeleid waar diverse voor- en achtervoegsels aan zijn toegevoegd. Oorspronkelijk werd de taal der Russen in het Oudkerkslavische schrift geschreven. Maar tegen de 19e eeuw was die oude schrijftaal niet meer in staat om de vele wetenschappelijke, technologische, culturele en politieke concepten te vatten zodat een nieuwe schrijfstijl ontwikkeld moest worden. Tegen midden 19e eeuw was de nieuwe norm een feit.

Sloveens
Slavische taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Slovenië en Italië. Er zijn ca. 1,5 miljoen sprekers. Het Sloveens gebruikt het Romeinse alfabet, aangevuld met diacritische tekens op drie letters: c, š, _ die tsj, sj en zj worden uitgesproken. De oudste overgeleverde Sloveens tekst dateert uit het jaar 1000. Het Sloveens kent zes naamvallen (nominatief, genitief, datief, accusatief, instrumental en locatief - deze laatste twee worden enkel met voorzetsels gebruikt). De vocatief is verdwenen. Zowel naamwoorden, voornaamwoorden, adjectieven en werkwoorden kennen in het meervoud een onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk (vb. "bova delali v Ljubljani": "wij twee (vrouwelijk) zullen in Ljubljana werken"). De werkwoordsvervoegingen werden de laatste eeuwen vereenvoudigd. Er bestaan zo'n 7 tot 8 grote dialecten en een 50-tal kleine.

Slowaaks


Spaans
Castiliaans
Romaanse taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Spanje, Zuid- en Centraal-Amerika (uitgezonderd Brazilië), Gibraltar, Andorra, op de Filippijnen, in Marokko (Ceuta en Melilla), de Westelijke Sahara, de Verenigde Staten en op Paaseiland. Het Vulgair Latijn dat door de Romeinse bezetters op het Iberisch Schiereiland werd gesproken, was de basis van een hele reeks dialecten die zich tot in de Middeleeuwen verder ontwikkelden. Het dialect van Castilia werd langzaam de standaard door de grotere politieke betekenis die Castilia kreeg. De meerderheid van de Spaanse woorden zijn afkomstig uit het Latijn. Vele woorden kwamen ook uit het Grieks, Baskisch en Keltisch. De invasie van de Visigoten in de 5e eeuw brachten Germaanse woorden aan. Drie eeuwen later kreeg het Spaans heel wat Arabische leenwoorden van de islamitische bezetters. Het merendeel van deze woorden zijn te herkennen aan het Arabische voorvoegsel al. In de 11e eeuw bezochten heel wat Franse pelgrims het bedevaartsoord in Santiago de Compostela. Daardoor nam het Spaans Franse woorden op. In de 15e en 16e eeuw stond het Spaans onder invloed van het Italiaans via de Aragonese overheersing in Italië. Door de nauwe band met zijn kolonies kreeg het Spaans ook heel wat leenwoorden uit diverse indianentalen. In de 20e eeuw ten slotte vonden ook Engelse woorden hun ingang in het Spaans. Het Spaans heeft een grammatica die sterk aanleunt bij de andere Romaanse talen (Frans, Portugees, Italiaans, ...). De subjunctief wordt in het Spaans veel meer gebruikt dan in om het even welke andere moderne taal. Ook worden wederkerige werkwoorden veel meer idiomatisch gebruikt. Het Spaans kent twee geslachten, al komt het onzijdig voornaamwoord lo ook nog voor (no lo hizo: hij deed het niet). Catacao Andean indianentaal van de ando-equatoriale familie: wordt gesproken in Peru, Ecuador en Bolivië, Catalaans Romaanse taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Catalonië (= voormalig koninkrijk Valencia, de Balearen en Pityusen), de oostelijke Pyreneeën, Alghero (Sardinië), Andorra en enkele plaatsen in Cuba en Argentinië. Het Catalaans was in de 12e eeuw de officiële taal van het Koninkrijk Aragón. Uit die periode stammen ook de eerste Catalaanse geschriften. Jarenlang dachten sommige linguïsten dat het Catalaans niet meer was dan een dialect van het Provençaals en dat het tijdens de Middeleeuwen heel even een literaire taal genoemd kon worden. Omdat het enkele unieke karakteristieken bezit, wordt het door velen als een aparte taal beschouwd. Deze karakteristieken zijn: in vele gevallen wordt het voltooid deelwoord gevormd met de stam van de verleden tijd, i.p.v. met de infinitief-stam; de uitspraak van b en v zijn verschillend; woordverbuigingen zijn onbestaande; de oorspronkelijke uitspraak van de Latijnse _ werd op die plaatsen behouden waar het Frans en het Provençaals ü gebruiken; in onbeklemtoonde eindklinkers wordt de a behouden, maar vervallen alle andere klinkers; enz.

Tsjechisch
Slavische taal van de indogermaanse familie: wordt gesproken in Tsjechië (=Bohemen, Moravië en Silezië) Het Tsjechisch is sterk verwant aan het Slowaaks. De belangrijkste verschillen tussen beide talen liggen in de fonetiek en syntax. Van de andere Slavische talen verschilt het Tsjechisch het sterkst door de karakteristieke zinsintonatie, de klemtoon op de eerste lettergreep, het gebruik van het Romeinse alfabet i.p.v. het Cyrillische en de uitzonderlijk vrije volgorde. Vóór de 11e eeuw schreven de Tsjechen in het Oudkerkslavisch, de eerste Slavische literaire taal. In de 11e eeuw vonden twee belangrijke linguïstische gebeurtenissen plaats. In het westen werd het Oudkerkslavisch vervangen door Latijn voor kerkelijk en literair gebruik en de regionale Slavische dialecten begonnen zich te ontwikkelen tot zelfstandige talen .Toch bleef het Tsjechisch gedurende enkele eeuwen een gehate en onderdrukte boerentaal tot in de 14e eeuw de Boheemse religieuze hervormer Jan Hus de Tsjechische spelling standaardiseerde. In de 15e en 16e eeuw nam een protestantse sekte met de naam Moravische Broeders deze spelling over. De geschriften van deze sekte waren bepalend voor de Tsjechische taal. In 1593 werd de Bijbel in het Tsjechisch vertaald. Sinds die tijd is het Tsjechisch niet zoveel veranderd. Het huidige Tsjechisch heeft zeven naamvallen, drie werkwoordspersonen, drie tijden (tegenwoordige, verleden en toekomstige tijd) en drie wijzes (indicatief, imperatief en voorwaardelijke wijze).

Turks
Turkotataarse taal van de altaïsche familie: wordt gesproken in Turkije, Cyprus, Noordoost-Bulgarije, het Rhodope-gebied (Bulgarije), Griekenland, Irak en Iran. Het is nauw verwant aan Azerbeidjaans en Turkmeens. Het huidige Turks werd in Klein-Azië ingevoerd door de Seljoekische Turken in de 11e eeuw. Hun taal -ook wel eens Oud-Anatolisch genoemd- werd oorspronkelijk geschreven in het Arabische schrift. In 1929 werd het Romeinse alfabet overgenomen.

Vietnamees


Zweeds


Schrift soorten

Arabisch schrift
Het Arabisch is, hoewel het een echt alfabet heeft, aanzienlijk moeilijker te schrijven dan talen die het Latijnse alfabet gebruiken, omdat de meeste Arabische letters vier verschillende vormen hebben, afhankelijk of de letter alleen, aan het begin van een woord, tussen andere letters of aan het eind van een woord geschreven wordt. Gedrukt Arabisch is in wezen hetzelfde als het handgeschreven geschrift. Het neemt meer ruimte in op een gedrukte pagina dan het Latijns gedrukte schrift, voornamelijk door de sierlijke bogen en lussen van de Arabische letters. Het Arabisch schrift is afgeleid van het Aramese schrift en wordt van rechts naar links geschreven. Het is gebaseerd op 18 verschillende vormen die variëren naargelang wat de voorgaande of volgende letters zijn. Door gebruik te maken van punten boven en onder 8 van deze vormen, kunnen alle 28 medeklinkers en de 3 lange klinkers worden gespeld.

Chinees schrift
Op de indogermaanse schriften na, is het Chinees schrift het meest gebruikte schrijfsysteem op aarde. Het ontwikkelde zich, evenals het oude Egyptische en Mesopotamische systeem, duizenden jaren geleden uit beelden. Het is een ideografisch schrift. Ten tijde van de dynastieën in China had het 40.000 tot 50.000 karakters. In onze moderne tijd acht men de kennis van 6000 karakters voldoende om kranten of boeken te lezen. Onder het huidige regime zijn de karakters ook vereenvoudigd om het analfabetisme te bestrijden.
Pinyin
Chinees letterschrift bestaand uit 58 tekens gebaseerd op het Latijnse alfabet. Het werd in 1958 geïntroduceerd en wordt in toenemende mate gebruikt naast het karakterschrift. Sinds 1979 wordt het in alle buitenlandse publicaties van de Chinese Volksrepubliek gebruikt.
Poetonghwa
Moderne Chinese schrijfstijl gebaseerd op de standaardspreektaal. Het poetonghwa is gebaseerd op 2000 karaktertekens. Het werd in 1949 ingevoerd en is de standaardschrijfstijl in het onderwijs en in de media. In China staat het bekend onder de naam guó yu (nationale spreektaal).

Cyrillisch alfabet
Het Cyrillisch alfabet werd eind 19e eeuw ontworpen voor het (Oudkerk)Slavisch en is afgeleid van de Griekse hoofdletters. Het is genoemd naar de 'Apostel der Slaven', Cyrillus (825-869) maar is waarschijnlijk ontworpen door diens leerling Kliment van Macedonië. Het cyrillisch alfabet omvat 43 lettertekens waarvan 24 aan de Griekse letters uit de 8e tot 10e eeuw, en 2 aan het Hebreeuws en de overige aan verschillende bronnen ontleend werden. De Oostslavische talen en enkele van de Zuidslavische talen worden nog geschreven in het cyrillisch alfabet. In aangepaste vorm wordt het ook gebruikt voor circa 100 niet-Slavische minderheidstalen in de ex-USSR.

Devanagari schrift
Dit schrift komt voort uit het Brahmi en werd waarschijnlijk in de 8e eeuw uitgevonden. Het wordt beschouwd als één van de meest geperfectioneerde schriften ter wereld. Het Devanagari-alfabet omvat 48 lettertekens waarvan 10 klinkers (lange en korte), 4 diftongen en 34 medeklinkers. Bijna alle lettertekens hangen onder een horizontale streep die mâtrâ genoemd wordt. Deze streep volgt ononderbroken de regel en verbindt de klinkers of woorden. Het wordt van links naar rechts geschreven. Het wordt hedentendage gebruikt om het Hindi te schrijven.

Grieks alfabet
De Grieken namen oorspronkelijk het Aramees schrift over maar voegden er klinkers aan toe door middel van het omvormen van enkele Semitische letters. Het Griekse alfabet lag aan de basis van onder andere het Latijns schrift.

Hebreeuws schrift
Het Hebreeuws vloeide voort uit het Fenicisch en ontwikkelde zich gelijklopend met het Aramees. Het is eigenlijk niets anders dan een variatie van het Aramees. Het modern Hebreeuws alfabet komt gebruikt, op enkele wijzigingen na, de 22 medeklinkers van het Aramees alfabet. Er zijn geen klinkers en er wordt van rechts naar links geschreven. Vanaf de 8e eeuw heeft men gepoogd dat te verhelpen door een systeem uit te denken waardoor de klinkers genoteerd worden door middel van kleine punten en streepjes boven en onder de lettertekens. Maar dit systeem beperkt zich tot de schoolboeken, voor dagbladen of algemene werken wordt het niet aangewend.

Japans schrift
Het Japans schrift bestaat uit zowat 40.000 lettertekens waarvan 2000 volstaan om een krant te lezen.
Katakana
Japans syllabeschrift, voornamelijk gebruikt voor niet-Chinese leenwoorden.
Hiragana schrift
Japans syllabeschrift voornamelijk gebruikt voor partikels

Koreaans schrift
In de 15e eeuw legde koning Sèdzjong de Koreanen een nieuw schrift op, het zogenaamde han'gul. Dit alfabetisch schrift omvat 25 letters, bestaande uit klinkers en medeklinkers en wordt geschreven van boven naar onder. Tegenwoordig bestaat het Koreaans, vooral in publicaties, uit een combinatie van het Koreaans alfabet en Chinese ideogrammen.

Latijns alfabet
Het Latijns alfabet ontstond uit het Etruskisch en werd oorspronkelijk dan ook van rechts naar links geschreven. Later werden ook nog Griekse letters overgenomen (oa. Y en Z) waardoor het op 23 lettertekens kwam. In de middeleeuwen voegde men er nog de U, W en J aan toegevoegd zodat men aan onze huidige 26 letters kwam.

Russisch alfabet
Om de verscheidenheid aan klanken in het Russisch uit te drukken, bezit het Russische alfabet 32 letters. Na de revolutie van 1917 stelde het bolsjewistische regime een hervorming van het Russische alfabet in.

Twitter banner

@EsperantoWBT